home contact

Geschiedenis van Jenever


Het vroegst bekende manuscript waarin over het distilleren van alcohol wordt gesproken is van 1351 en ligt in de Koninklijke Bibliotheek in Brussel. In deze tekst gaat het over het distilleren van wijn wat aquavit (levenswater) oplevert, wat zou helpen tegen allerlei ziekten. Het effect kon nog versterkt worden door het gebruik van kruiden, bessen en zaden bij het distilleren. Van het geneesmiddel of medicinaal water moesten enkele druppels gebruikt worden voor het beste resultaat. Het werd bijvoorbeeld toegepast bij het bestrijden van de pest. Binnen een eeuw wordt het echter van geneesmiddel een genotmiddel. Het is in dat kader dan ook niet vreemd dat er in 1497 in Amsterdam een accijnswetgeving op brandewijn is. Tot het begin van de 16e eeuw houdt jenever toch ook nog een medicinaal karakter.

In de 15e eeuw begint men met het distilleren van bier, of het 'klaren' van onklaar bier dat als afval beschouwd kan worden. Dit wordt vooral door de armen gedaan. Het product wordt meestal koornbrandewijn genoemd, daar er in feite granen voor gebruikt wordt. In de 17e eeuw komt er in Nederland een nieuwe methode voor een graandistillaat, wat moutwijn oplevert, waar jeneverbes aan wordt toegevoegd. Uit die tijd stamt waarschijnlijk ook het woord jenever.

Over de toevoegingen van allerhande kruiden en specerijen is bekend dat er halverwege de 16e eeuw anijs, venkel, jeneverbes en karwij gebruikt werden bij het distilleren. In België is men jeneverbes gaan gebruiken. Niet alleen omdat jeneverbesstruiken in België veel voorkwamen, er hoefden zo ook geen dure grondstoffen geïmporteerd te worden en ze hadden natuurlijk een geneeskrachtige werking; in Frankrijk gebruikte men vooral anijs en in Scandinavië karwij. De mogelijkheden zijn echter onbeperkt: naast jeneverbessen worden angelicawortel, Sint-Janskruid, citroen- en sinaasappelschillen, koriander, zwarte bessen en vele andere kruiden, specerijen, schillen, zaden, bladeren, wortels en vruchten toegevoegd door het te laten meetrekken bij het distilleren.

Hoe wordt Jenever gemaakt

Jenever werd oorspronkelijk alleen van moutwijn gemaakt. In de Gouden Eeuw maakte men al wel distillaten van wijn en verzuurd bier, maar men stapte in de 17e eeuw over op distillaten op moutbasis door de beschikbaarheid van graan. Om moutwijn te maken wordt om te beginnen gerst geweekt, die vervolgens gaat ontkiemen; dit wordt groenmout genoemd. Tijdens dit ontkiemen ontstaat in de gerstekorrels een enzym dat zorgt voor de omzetting van het zetmeel in de gerstekorrels in suiker die nodig is om alcohol te maken. Na het drogen van dit groenmout, dat eesten of branden wordt genoemd, worden gelijke delen rogge en maïs toegevoegd en ontstaat er een beslag waar vervolgens gist aan wordt toegevoegd. Via het natuurlijke gistingsproces ontstaan in de suikerhoudende vloeistof enkele procenten alcohol. De alcoholhoudende vloeistof moet vervolgens drie maal gedistilleerd worden om een zuiverder product te krijgen. De branders ontlenen hun naam dan wel aan het branden van de groenmout, maar hun eigenlijke werk is het distilleren van alcoholhoudend graanbeslag tot moutwijn. Eerst wordt er ruwnat van ongeveer 20% alcohol gedistilleerd, dan enkelnat van ongeveer 30% en vervolgens bestnat of moutwijn met een alcoholpercentage van 46%. Moutwijn heeft de onmiskenbare geur en smaak van granen en kan vergeleken worden met een vloeibare volkorenboterham. De moutwijnbereiding is sinds de 17e eeuw nauwelijks meer gewijzigd. Schiedam, het bolwerk van de moutwijnindustrie, bezat rond 1900 meer dan 400 branderijen en distilleerderijen.

Het graanafval, spoeling genoemd, werd als veevoer verkocht aan boeren en de gist aan bakkers. Boeren leverden tevens de benodigde granen. Deze samenwerking met andere bedrijfstakken is kenmerkend voor de klassieke branderij. De branderijen leverden wel overlast op voor hun omgeving. Stank en afval, waar varkens in snuffelden, zorgden ervoor dat de jenever geproduceerd werd in kleine plaatsen vlakbij grote steden waar de grondstof werd ingevoerd.

Tot het eind van de 19e eeuw werd als basis voor de jenever uitsluitend moutwijn gebruikt die het resultaat was van keteldistillatie. In de tweede helft van de 19e eeuw ontdekte men echter de kolomdistillatie die het mogelijk maakte zuivere graanalcohol van 96% met een veel neutralere geur en smaak te produceren. Daarnaast bleek het ook mogelijk om alcohol te produceren uit aardappelen en suikerbieten (melasse). Dit laatste was tevens een uitstekend alternatief voor het duur en schaars geworden graan. Het maken van melassealcohol kon ook met minder arbeidskrachten. Omdat de kostprijs van jenever veel lager werd en de jenever goedkoper werd dit product een groot succes.

 

< Ga naar vorige pagina >


© 2005 Rubbens Gebroeders